Richard pakte zijn jas.

‘Vincent is naar het oude huis van Thomas gegaan.’

‘Waarom?’

‘Omdat Sophia daar is.’

‘Hoe weet hij dat?’

Richard keek me aan.

‘Omdat ze hem heeft gevraagd alleen te komen.’

Ik pakte mijn tas.

‘We moeten de politie bellen.’

Richard knikte.

Maar voordat hij zijn telefoon kon pakken, kwam er een bericht binnen.

Van Vincent.

Als ik niet terugkom, geef Emma de tweede sleutel.

Ik keek naar Richard.

‘Welke tweede sleutel?’

Hij haalde langzaam een kleine sleutel uit zijn jaszak.

‘De sleutel van de kluis van Thomas.’

Ik staarde hem aan.

‘Waarom hebt u die?’

Richard antwoordde niet.

Toen zei hij:

‘Omdat ik de man was die hem na zijn dood heeft verborgen.’

We reden naar het oude huis van Thomas.

Het stond aan de rand van de stad, achter een hoge stenen muur. Het was jaren geleden verkocht, maar volgens Richard had Thomas een deel van het terrein in een aparte stichting ondergebracht.

De politie arriveerde enkele minuten na ons.

We gingen niet alleen naar binnen.

Twee agenten liepen voorop. Richard volgde hen, met mij vlak achter hem.

De voordeur stond open.

In de hal lagen papieren verspreid over de vloer.

Een lamp was omgevallen.

Verderop klonk een stem.

Sophia.

‘Je hebt geen idee hoeveel ik voor je heb gedaan.’

Daarna hoorde ik Vincent.

‘Je hebt me gebruikt.’

‘Ik heb je gegeven wat je wilde.’

‘Je hebt mijn moeder bedreigd.’

Sophia lachte.

‘Je moeder heeft zichzelf in gevaar gebracht.’

Ik voelde mijn maag omdraaien.

De agenten gaven elkaar een teken.

We liepen verder.

In de woonkamer stond Vincent tegenover Sophia. Op tafel lag een open kluis. Er lagen documenten en een laptop naast.

Sophia hield een klein pistool in haar hand.

Ik verstijfde.

‘Laat het vallen!’ riep een agent.

Sophia draaide zich om.

Vincent greep naar haar pols.

Er klonk een harde knal.

Ik schreeuwde.

Vincent viel tegen de tafel.

De agenten stormden naar voren.

Sophia liet het wapen vallen en werd tegen de muur gedrukt.

Ik rende naar Vincent.

Hij lag op zijn zij, zijn hand tegen zijn buik gedrukt.

‘Vincent!’

Hij keek naar me.

‘Emma…’

Ik knielde naast hem.

‘Blijf bij me.’

Hij probeerde te glimlachen.

‘Je bent toch gekomen.’

Ik pakte zijn hand.

‘Praat niet.’

Zijn ogen gleden naar Richard.

‘Pap…’

Richard knielde aan de andere kant.

‘Ik ben hier, jongen.’

Vincent begon te huilen.

‘Ik weet niet meer wie mijn vader is.’

Richard legde zijn hand op zijn hoofd.

‘Ik wel.’

Vincent keek hem aan.

‘Ik heb alles verpest.’

Richard sloot zijn ogen.

‘Dat weet ik.’

‘Het spijt me.’

Richard boog zich naar hem toe.

‘We praten later. Nu moet je blijven ademen.’

De ambulance arriveerde enkele minuten later.

Terwijl de hulpverleners Vincent op een brancard legden, werd Sophia afgevoerd.

Ze keek me aan toen ze langs me liep.

Haar gezicht was kalm.

‘Je denkt dat je gewonnen hebt,’ zei ze.

Ik zei niets.

Ze boog haar hoofd iets naar me toe.

‘Je weet nog steeds niet wat er met Teresa is gebeurd.’

De agent duwde haar verder.

Maar haar woorden bleven in mijn hoofd hangen.

Vincent overleefde de schietpartij.

De kogel had zijn buik geraakt, maar de artsen konden hem opereren. Hij lag twee dagen op de intensive care voordat hij naar een gewone kamer werd gebracht.

Richard zat bijna onafgebroken naast zijn bed.

Ik kwam iedere dag langs, maar bleef meestal bij de deur staan.

De derde dag vroeg Vincent of ik alleen wilde komen.

Ik ging op de stoel naast zijn bed zitten.

Hij zag er bleek uit.

‘Hoe gaat het met Sophia?’ vroeg hij.

‘Ze zit vast.’

‘Heeft ze iets gezegd?’

‘Niet tegen mij.’

Hij keek naar het plafond.

‘Ze heeft me verteld dat ze Teresa nooit heeft aangeraakt.’

Ik keek hem aan.

‘Geloof je haar?’

‘Ik weet het niet.’

‘Ze heeft je moeder bedreigd.’

‘Ja.’

‘Ze heeft haar gevolgd.’

‘Ja.’

‘En ze wist dat Teresa bewijs had.’

Vincent sloot zijn ogen.

‘Ik had haar moeten beschermen.’

Ik voelde mijn keel dichtknijpen.

‘Je had haar moeten bellen.’

Hij knikte.

‘Ik weet het.’

Er viel een lange stilte.

Toen haalde hij diep adem.

‘Emma, ik wil je iets vertellen.’

‘Wat?’

‘De avond voordat mijn moeder instortte, heb ik haar een bericht gestuurd.’

Ik verstijfde.

‘Wat voor bericht?’

‘Ik zei dat ik haar de volgende ochtend zou bellen. Ik zei dat ik haar iets belangrijks moest vertellen.’

‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd?’

‘Omdat ik niet wist of ik het moest vertellen.’

Ik keek hem aan.

‘Wat wilde je haar vertellen?’

Hij slikte.

‘Dat ik Sophia had verlaten.’

Ik bleef stil.

‘Ik had ontdekt dat ze geld achterhield. Ik wilde mijn moeder vragen of ze de documenten had gevonden. Ik wilde haar vertellen dat ik alles zou rechtzetten.’

‘En waarom heb je haar daarna niet gebeld?’