Ik belde een taxi en liet mijn auto bij het tankstation staan. Ik wilde niet dat Julian mijn locatie kon volgen.

Een halfuur later stond ik voor een smal appartementengebouw in een rustige straat. De verf van de voordeur was afgebladderd. Op de bel stond met kleine letters: E. Bell.

Ik drukte.

Er gebeurde niets.

Ik drukte opnieuw.

Toen klonk er een stem door de intercom.

‘Ja?’

‘Mijn naam is Anna. Ik denk dat u me moet spreken.’

‘Wie heeft u gestuurd?’

‘Niemand.’

‘Ga weg.’

‘Ik heb de ketting.’

Er viel een stilte.

Toen hoorde ik het geluid van een slot.

De deur ging open.

Een vrouw stond boven aan de trap.

Ze was magerder dan op de foto. Haar donkere haar was kortgeknipt en haar gezicht droeg de vermoeidheid van iemand die jarenlang slecht had geslapen. Maar haar ogen waren dezelfde als die van de bruid op de oude krantenfoto.

Emily.

Ze keek naar mijn hals.

‘Draag je hem?’

‘Nee.’

‘Goed.’

Ze liep langzaam de trap af.

‘Waar is hij?’

Ik haalde het stoffen zakje uit mijn tas en liet haar de ketting zien.

Emily sloot haar ogen.

Haar handen begonnen te trillen.

‘Hij heeft hem dus toch gegeven.’

‘Waarom?’

Ze keek me aan.

‘Omdat hij denkt dat hij eindelijk gewonnen heeft.’

‘Wat betekent dat?’

Ze opende de deur van haar appartement.

‘Kom binnen. En raak niets aan.’

Haar woning was klein en sober ingericht. Er stonden twee stoelen bij een tafel, een oude boekenkast en een bed achter een halfopen deur. Op de vensterbank lagen stapels brieven.

Emily wees naar een stoel.

‘Ga zitten.’

Ik legde de ketting op tafel.

Ze ging er tegenover zitten en keek ernaar alsof het een levend dier was.

‘Mijn moeder heeft je gevonden,’ zei ze uiteindelijk.

‘U was de vrouw in de bus.’

Ze knikte.

‘Ik had je eerder moeten aanspreken.’

‘Waarom deed u dat niet?’

‘Omdat ik bang was.’

‘Voor Julian?’

Ze keek op.

‘Voor Daniel.’

Ik voelde mijn keel dichtknijpen.

‘Welke naam is echt?’

Emily glimlachte bitter.

‘Geen van beide. Zijn echte naam is Adrian Keller.’

Ik staarde haar aan.

‘Wat?’

‘Hij gebruikte Daniel Bell toen hij met mij trouwde. Later werd hij Julian. Hij heeft verschillende identiteiten gebruikt. Verschillende adressen, verschillende bedrijven, verschillende verhalen.’

‘Waarom?’

Emily stond op en liep naar de boekenkast. Ze haalde er een map uit.

‘Omdat hij altijd op zoek was naar vrouwen met iets wat hij kon gebruiken.’

Ze legde de map op tafel.

Binnenin zaten kopieën van bankafschriften, oude foto’s, brieven en documenten.

‘Mijn vader was overleden toen ik hem ontmoette. Ik erfde een klein huis en een behoorlijk bedrag aan spaargeld. Daniel vertelde me dat hij een bedrijf wilde beginnen. Hij zei dat hij me nooit om geld zou vragen, maar dat hij mijn advies nodig had.’

Ze sloeg een pagina om.

‘Ik werd verliefd op hem. Ik geloofde alles wat hij zei.’

Ik keek naar de foto’s.

Op een ervan stond Julian, jonger, met een andere vrouw aan zijn arm.

‘Wie is zij?’

Emily keek naar de foto.

‘Sophie.’

‘Zijn tweede vrouw?’

‘Nee. Zijn eerste slachtoffer.’

Ze haalde een tweede foto tevoorschijn.

‘Hij was met haar verloofd voordat hij mij ontmoette. Toen haar familie ontdekte dat hij geld had overgemaakt van haar rekening naar een bedrijf op zijn naam, verdween hij. Sophie heeft hem nooit meer gezien.’

Ik voelde me misselijk worden.

‘En daarna kwam u.’

Emily knikte.

‘Hij gebruikte een andere naam en vertelde me dat hij weduwnaar was. We trouwden. Drie dagen later was mijn geld weg.’

‘Wat gebeurde er toen?’

Haar blik gleed naar het raam.

‘Ik ontdekte dat hij een tweede bankrekening had. Ik vond ook documenten waaruit bleek dat hij een deel van mijn erfenis had gebruikt om een huis te kopen. Niet op mijn naam. Op naam van een bedrijf dat hij samen met iemand anders bezat.’

‘En u confronteerde hem?’

‘Ja.’

Ze zweeg.

‘Hij werd woedend. Hij zei dat ik hem had verraden. Dat ik alles kapotmaakte.’

‘Wat deed hij?’

Emily trok haar mouw iets omhoog.

Op haar pols liep een dun, wit litteken.

‘Hij sloot me drie dagen op in een huis buiten de stad. Hij nam mijn telefoon af en zei tegen iedereen dat ik hem verlaten had.’

Ik voelde mijn maag omdraaien.

‘De politie?’

‘Hij had mijn handtekening op documenten vervalst. Hij had geld van mijn rekening gehaald en een brief geschreven waarin stond dat ik naar het buitenland wilde vertrekken. Toen mijn moeder aangifte deed, presenteerde hij die brief.’

‘Maar u was niet weggegaan.’

‘Nee.’

Emily keek me recht aan.

‘Ik was daar.’

Ze wees naar de map.

‘Ik heb geprobeerd te ontsnappen. De eerste keer mislukte het. De tweede keer lukte het. Een buurman vond me langs de weg en bracht me naar het ziekenhuis. Ik had geen identiteitsbewijs, geen geld en niemand die me geloofde.’