De vrouw die mij in de bus had gewaarschuwd, was dus niet iemand die toevallig een oude zaak kende. Ze was waarschijnlijk Emily’s moeder. En ze had mij herkend omdat ze wist wie Julian werkelijk was.
Maar waarom had ze zo lang gewacht?
Waarom had ze mij niet rechtstreeks verteld wat ze wist?
En waarom had Julian juist nu die ketting gekocht?
Mijn telefoon trilde.
Een bericht van Julian.
Waar ben je?
Ik antwoordde: Bij het huisje. Ik wilde wat oude spullen ophalen.
Zijn antwoord kwam onmiddellijk.
Kom naar huis. We moeten praten.
Ik keek naar de foto van Emily en vervolgens naar de gouden ketting in mijn tas.
Ik wist dat ik niet naar huis moest gaan.
Toch startte ik de auto.
Want als Julian wist dat ik iets had ontdekt, wilde ik weten hoeveel.
Toen ik thuiskwam, stond zijn auto nog op de oprit.
De voordeur was niet op slot.
Ik liep naar binnen en hoorde hem in de keuken telefoneren.
‘Nee, ze heeft niets gezien,’ zei hij zacht. ‘Ik regel het.’
Ik bleef in de gang staan.
‘Nee. Ik zei dat ik het regel.’
Er viel een stilte.
‘Luister, ik heb geen andere keuze. Als dit mislukt, ben ik alles kwijt.’
Hij verbrak de verbinding.
Ik deed alsof ik net binnenkwam.
‘Met wie belde je?’
Hij draaide zich om.
‘Een zakenpartner.’
‘Over je bedrijf?’
‘Ja.’
Hij keek naar mijn tas.
‘Heb je de ketting meegenomen?’
‘Nee.’
Ik had hem wel meegenomen. Hij zat in een klein stoffen zakje in het binnenvak van mijn handtas.
Julian liep naar het aanrecht en schonk twee koppen koffie in.
‘Ga zitten.’
Ik bleef staan.
‘Wat is er?’
Hij schoof een kop naar me toe.
‘Ik heb nagedacht over wat je gisteren zei.’
‘Ik heb gisteren niet veel gezegd.’
‘Over het huisje.’
Ik voelde onmiddellijk hoe mijn schouders zich aanspanden.
‘Wat is daarmee?’
‘Ik heb een koper gevonden.’
Ik keek hem aan.
‘Wat?’
‘Een investeerder. Hij is geïnteresseerd in het huis en de grond eromheen. Hij wil snel handelen.’
‘Ik heb je verteld dat ik het niet wil verkopen.’
‘Ik weet het.’
‘Dan begrijp ik niet waarom je een koper hebt gezocht.’
Hij haalde diep adem.
‘Omdat we geld nodig hebben.’
‘Jij hebt geld nodig.’
Zijn gezicht verstrakte.
‘Wij zijn getrouwd.’
‘Dat betekent niet dat alles wat van mij is automatisch van jou wordt.’
Hij lachte kort.
‘Daar gaan we weer.’
‘Nee, Julian. Ik wil dat je me één ding vertelt.’
‘Wat?’
Ik keek recht in zijn ogen.
‘Wie is Emily Bell?’
De stilte die volgde was zo abrupt dat ik het tikken van de klok boven de koelkast kon horen.
Julian bewoog niet.
Zijn hand bleef om het koffiekopje geklemd.
‘Waar heb je die naam gehoord?’
Ik had verwacht dat hij zou ontkennen dat hij haar kende. Ik had verwacht dat hij zou lachen, vragen waarom ik zulke vreemde vragen stelde, of beweren dat ik me vergiste.
Maar hij vroeg waar ik de naam had gehoord.
Dat was genoeg.
‘Ik heb haar naam gevonden.’
‘Waar?’
‘Op internet.’
‘Waarom zoek je naar haar?’
‘Omdat ze op een oude foto staat met jou.’
Zijn gezicht werd bleek.
Niet een beetje.
Hij werd werkelijk bleek.
‘Je hebt die foto gevonden?’
Ik knikte.
‘En ik heb de gravure gezien.’
Hij zette zijn kopje neer.
‘Welke gravure?’
‘Voor Emily. Altijd, Daniel.’
Hij keek naar de gang alsof hij plotseling wilde vertrekken.
‘Geef me die ketting.’
‘Waarom?’
‘Omdat je niet begrijpt waar je mee bezig bent.’
‘Dan leg je het me uit.’
Hij streek met beide handen over zijn gezicht.
‘Emily was mijn eerste vrouw.’
De woorden vielen tussen ons in.
Ik had het verwacht, maar het horen ervan voelde alsof iemand een koude hand om mijn keel sloot.
‘Je was getrouwd?’
‘Lang geleden.’
‘Je hebt me verteld dat je nooit eerder getrouwd bent geweest.’
‘Het was ingewikkeld.’
‘Je hebt tegen me gelogen.’
‘Ik wilde mijn verleden achter me laten.’
‘Wat is er met haar gebeurd?’
Hij keek weg.
‘Ze is verdwenen.’
‘Dat weet ik.’
‘Dan weet je ook dat ik niets met haar verdwijning te maken had.’
‘Dat is precies wat je tegen de politie hebt gezegd.’
Zijn hoofd schoot omhoog.
‘Heb je de politie erbij gehaald?’
‘Nog niet.’
Hij liep naar me toe.
‘Luister naar me. Er zijn dingen die je niet begrijpt. Emily was ziek. Ze had problemen. Haar familie heeft me altijd de schuld gegeven omdat ze niet konden accepteren dat ze was weggelopen.’
‘Waarom heb je haar naam dan in een ketting laten graveren?’
‘Dat was een oud sieraad.’
‘Je zei dat je het vorige week gekocht had.’
Hij zweeg.
‘Je zei dat je het in een winkel in het centrum had gekocht.’
‘Ik wilde je verrassen.’
‘Je hebt gelogen over de winkel, over de ketting en over je verleden.’






