Lieve Anna,

Als je deze brief leest, betekent dit dat ik er niet meer ben om je te beschermen. Ik had gehoopt dat je nooit zou hoeven weten wat er werkelijk is gebeurd.

Je moeder was niet degene die Julian in ons leven heeft gebracht. Ik was het.

Ik stopte met lezen.

De woorden leken te dansen.

Ik keek naar Thomas.

Hij zei niets.

Ik las verder.

Jaren geleden kwam Robert Bell naar mij toe. Hij was bang voor zijn eigen zoon. Hij had ontdekt dat Daniel geld stal van vrouwen en dat hij bereid was alles te doen om zijn geheimen te beschermen.

Robert vroeg mij om zijn dochter te helpen. Hij wilde dat Emily veilig zou zijn.

Ik heb hem geholpen. Ik heb hem verborgen in het huisje. Ik heb zijn naam veranderd en hem een plek gegeven waar niemand hem kon vinden.

Maar ik wist niet dat mijn eigen dochter, jouw moeder, betrokken zou raken bij de zaak.

Ik voelde mijn keel dichtknijpen.

Ze werd verliefd op de man die wij probeerden tegen te houden.

Ik liet de brief zakken.

‘Nee,’ fluisterde ik.

Emily kwam dichterbij.

‘Wat staat er?’

Ik gaf haar de brief.

Ze las hem langzaam.

Toen keek ze op.

‘Robert was dus niet dood.’

Thomas knikte.

‘Dat verklaart waarom Margaret bleef zoeken.’

De agent vroeg of er nog meer documenten in het kistje zaten.

Ik haalde de leren map eruit.

Daarin lagen bankafschriften, notariële stukken en een lijst met namen.

Bij sommige namen stond een bedrag.

Bij andere stond een datum.

Naast de naam van mijn moeder stond:

Overdracht B-17 — voltooid.

‘Wat is B-17?’ vroeg ik.

De Vries bekeek de papieren.

‘Waarschijnlijk een kluisnummer.’

Thomas schudde zijn hoofd.

‘Nee. B-17 was een kamer.’

‘Waar?’

Hij keek naar het huis.

‘In het oude hotel aan het meer.’

Emily verstijfde.

‘Dat hotel is al jaren gesloten.’

Thomas knikte.

‘Dat dacht iedereen.’

Hij draaide een van de documenten om.

Op de achterkant stond een adres.

En daaronder een handgeschreven boodschap.

De waarheid ligt waar Emily haar laatste nacht doorbracht.

We vertrokken die middag naar het meer.

Het oude hotel lag aan een verlaten weg, omringd door hoge bomen. De ramen waren dichtgetimmerd en de tuin was overwoekerd. Er hing een bord aan het hek waarop stond dat het terrein verboden toegang was.

De politieagent bleef bij de auto’s.

Thomas, Emily, De Vries en ik liepen naar de zijdeur.

Emily stond plotseling stil.

‘Ik ben hier geweest.’

Ik keek naar haar.

‘Wanneer?’

‘De nacht dat ik verdween.’

Haar stem klonk nauwelijks hoorbaar.

‘Daniel bracht me hierheen. Hij zei dat we moesten praten. Dat hij alles zou uitleggen.’

Ze keek naar het gebouw.

‘Ik herinner me de trap. De gang. De kamer met de groene deur.’

Thomas legde een hand op haar schouder.

‘Je hoeft niet naar binnen.’

‘Jawel.’

Ze liep verder.

De zijdeur was niet op slot.

Binnen rook het naar vocht en stof. De vloer kraakte onder onze voeten. De muren waren beschadigd, maar op sommige plaatsen hingen nog stukken oud behang.

We volgden Emily naar boven.

De kamer met de groene deur stond aan het einde van de gang.

Ze duwde hem voorzichtig open.

Er stond nog steeds een bed.

Een oude kast.

Een kapotte spiegel.

En aan de muur hing een vergeelde foto van een bruid.

Emily begon te trillen.

‘Dit was mijn kamer.’

Ik keek naar de foto.

Het was Emily.

Dezelfde trouwjurk.

Dezelfde ketting.

Maar er was iets vreemds aan de afbeelding.

Achter haar stond een tweede vrouw.

Mijn moeder.

Ik stapte dichterbij.

Mijn moeder droeg een donkere jurk en keek niet naar de camera. Ze keek naar Emily.

Op de achterkant van de foto stond een datum.

De nacht waarop Emily verdween.

‘Mijn moeder was hier,’ fluisterde ik.

Emily knikte.

‘Ze heeft me geholpen.’

‘Wat?’

‘Ik herinner me nu iets. Ik herinner me dat een vrouw de deur opende. Ik dacht dat het een verpleegster was. Ze zei dat ik rustig moest blijven en dat ze me naar huis zou brengen.’

Ze keek naar mij.

‘Het was je moeder.’

Ik voelde tranen opkomen.

‘Waarom heeft ze me dat nooit verteld?’

Thomas doorzocht ondertussen de kast.

‘Hier is iets.’

Hij trok een houten paneel naar voren.

Daarachter zat een kleine metalen doos.

Op het deksel stond B-17.

Ik haalde het sleuteltje uit mijn zak.

Het paste.

De doos ging open.

Binnenin lagen drie paspoorten, een stapel foto’s en een kleine cassetteband.

De Vries pakte de paspoorten voorzichtig op.

‘Deze zijn allemaal op verschillende namen uitgegeven.’

Thomas keek naar de foto’s.

Toen verstijfde hij.

‘Mijn God.’

Hij hield er één omhoog.

Op de foto stond mijn moeder.

Naast haar stond Julian.

Maar achter hen stond nog iemand.

Een man met grijs haar.

Robert Bell.

Emily greep de foto.

‘Dat is mijn vader.’