Isabella hield het kind tegen haar borst. Haar gezicht was jonger, maar haar ogen waren hetzelfde. Die rustige, waakzame ogen die ik elf jaar lang had gezien wanneer ik midden in de nacht thuiskwam.
Op de achterkant stond een datum.
Twee dagen voordat mijn vader werd vermoord.
Daaronder stonden drie woorden in zijn handschrift.
Bescherm mijn dochter.
Ik keek naar Marco.
“Waar is ze?”
“Dat weet ik niet.”
“Je hebt haar toch gezien?”
“Ja.”
“Wanneer?”
Marco keek naar de klok.
“Vanavond.”
Mijn bloed werd koud.
“Wat?”
“Voordat Isabella vertrok, kwam ze naar het hoofdkwartier. Ze vroeg me om de oude dossiers. Ik heb haar de toegang gegeven.”
“En je hebt mij niets verteld?”
“Ze zei dat als ik jou waarschuwde, je haar onmiddellijk zou laten opsporen.”
“Ze is mijn vrouw!”
“Precies, Dante. En ze was bang voor je.”
Die woorden waren erger dan een klap.
Ik liep naar het raam.
Buiten begon de stad langzaam wakker te worden. De eerste auto’s reden over de natte straten. Mensen gingen naar hun werk, kochten koffie en haastten zich naar afspraken.
Niemand wist dat mijn leven in één nacht was ingestort.
“Hoe heet de dochter van mijn vader?” vroeg ik.
Marco aarzelde.
“Giulia.”
Ik sloot mijn ogen.
Giulia Moretti.
Mijn halfzus.
Elf jaar lang had ik haar naam nooit gehoord.
“Hoe oud is ze?”
“Vierentwintig.”
“Waar woont ze?”
“Dat weet ik niet.”
Ik draaide me om.
“Marco, ik geef je één kans om me de waarheid te vertellen.”
Hij keek me recht aan.
“Ze woont in hetzelfde huis waar Isabella nu verblijft.”
Ik voelde mijn ademhaling veranderen.
“Waar?”
“Een klein kusthuis in Portofino. Het staat op naam van een stichting. Isabella heeft het vijf jaar geleden gekocht.”
Ik pakte mijn jas.
Marco greep mijn arm.
“Je kunt daar niet zomaar naartoe gaan.”
Ik keek naar zijn hand.
Hij liet me onmiddellijk los.
“Ik ga mijn vrouw ophalen.”
“En als ze niet met je mee wil?”
Ik keek hem aan.
“Dan zal ik voor het eerst in mijn leven luisteren naar wat ze zegt.”
Maar zelfs terwijl ik die woorden uitsprak, wist ik dat ik niet voorbereid was op wat ik daar zou aantreffen.
Om 08.40 uur arriveerden we in Portofino.
Het huis stond aan het einde van een smalle weg, verscholen achter hoge pijnbomen en een stenen muur. Het was wit geschilderd, met groene luiken en een kleine veranda die uitkeek over de zee.
Er stonden twee auto’s op de oprit.
Een oude zwarte Fiat en een donkerblauwe SUV.
Ik herkende de Fiat.
Isabella had die auto ooit gekocht toen ze nog studeerde. Ze had hem nooit willen vervangen, zelfs niet toen ik haar een nieuwe wagen aanbood.
“Blijf hier,” zei ik tegen Marco.
Ik liep alleen naar de voordeur.
Mijn hand bleef boven de bel hangen.
Elf jaar lang had ik nooit hoeven nadenken voordat ik mijn eigen huis binnenstapte.
Nu wist ik niet eens of mijn vrouw de deur voor me zou openen.
Ik drukte op de bel.
Geen antwoord.
Ik klopte.
Nog steeds niets.
Toen hoorde ik achter de deur een zachte stem.
“Wie is daar?”
Ik herkende haar onmiddellijk.
Mijn hart sloeg pijnlijk tegen mijn ribben.
“Isabella.”
Er viel een lange stilte.
“Ga weg, Dante.”
Ik sloot mijn ogen.
“Ik wil alleen praten.”
“Dat wilde je elf jaar geleden ook. Toen je me vertelde dat ik geen vragen moest stellen.”
“Ik heb de video gezien.”
“Dan weet je waarom ik ben weggegaan.”
“Ik weet dat je bang bent.”
“Nee. Je weet dat ik niet meer bij je woon. Dat is iets anders.”
Ik legde mijn hand tegen de deur.
“Laat me je zien.”
“Waarom?”
“Omdat ik je mis.”
Een korte, bittere lach klonk aan de andere kant.
“Je mist niet mij, Dante. Je mist het gevoel dat er iemand op je wachtte wanneer je thuiskwam.”
Ik kon niets zeggen.
“Je mist je schone kleren, je warme eten, je medicijnen wanneer je gewond bent en iemand die je hand vasthoudt wanneer je nachtmerries hebt.”
Haar stem werd zachter.
“Maar je mist niet de vrouw die al die dingen voor je deed. Als je die vrouw had gemist, had je haar niet negen maanden lang bedrogen.”
Ik liet mijn hoofd zakken.
“Je hebt gelijk.”
“Dat weet ik.”
“Ik wil het goedmaken.”
“Dat kun je niet.”
“Isabella…”
“Je kunt een gebroken glas misschien lijmen, Dante. Maar je kunt niet doen alsof het nooit gebroken is.”
Ik hoorde voetstappen.
Toen ging de deur langzaam open.
Ze stond voor me in een eenvoudige crèmekleurige trui en een donkere broek. Haar haar hing los over haar schouders. Ze droeg geen make-up en geen sieraden.
Haar linkerhand was leeg.
Ik keek naar haar gezicht.
Ze zag er moe uit.
Maar ze was prachtig.
En ze keek me aan alsof ik een vreemde was.
“Je bent afgevallen,” zei ik.






