David keek me aan.

“Dat is precies wat je vader vijf jaar lang heeft proberen te achterhalen.”

Ik voelde mijn keel dichtknijpen.

“Waarom heeft hij mij dan nooit iets verteld?”

“Omdat de laatste keer dat hij haar zocht, iemand hem bedreigde.”

“Wie?”

David keek naar de ingang.

“Dezelfde mensen die drie dagen geleden toegang hebben gekregen tot de kluis.”

Ik draaide me om.

Een man bij de deur hield zijn telefoon tegen zijn oor.

Toen hij merkte dat ik naar hem keek, stopte hij met praten en liep naar buiten.

David schoof het document naar me toe.

“Neem dit mee. En ga niet terug naar je huis.”

“Waarom niet?”

“Omdat ze weten dat je de doos hebt.”

“Wie zijn ze?”

Hij keek me recht aan.

“De mensen die je moeder hebben laten verdwijnen.”

Ik staarde hem aan.

“Mijn moeder is overleden.”

David zweeg.

Daarna zei hij iets waardoor ik de grond onder mijn voeten leek te verliezen.

“Dat is wat je vader je heeft laten geloven.”

Hij draaide zich om en liep naar de uitgang.

Ik greep het document.

“Wacht!”

Hij bleef staan.

“Waar moet ik naartoe?”

Hij keek over zijn schouder.

“Zoek Elena. En als ze je vraagt wat er in de doos zat, zeg dan dat je alleen de brieven hebt gevonden.”

“Maar dat is niet waar.”

“Dat weet ik.”

“Waarom zou ik liegen?”

David keek me aan met een uitdrukking die ik nooit zou vergeten.

“Omdat de persoon die de rest van de inhoud heeft meegenomen, misschien dichterbij is dan je denkt.”

Daarna verdween hij door de glazen deuren.

Ik bleef midden in de bank staan.

Mijn telefoon trilde.

Marcus.

Ik nam onmiddellijk op.

“Waar ben je?” vroeg hij.

“Bij de bank.”

“Kom onmiddellijk naar huis.”

“Wat is er gebeurd?”

Zijn stem klonk anders.

Angstig.

“Er is iemand binnen geweest.”

“Wie?”

“Ik weet het niet. De achterdeur stond open. De doos is weg.”

Ik voelde mijn maag samentrekken.

“De hele doos?”

“Ja.”

“En de brieven?”

Marcus zweeg even.

“De brieven zijn er nog.”

“Wat?”

“Ze hebben de brieven laten liggen.”

Ik keek naar het document in mijn hand.

“Wat hebben ze meegenomen?”

Marcus antwoordde niet meteen.

Toen zei hij:

“Het blauwe notitieboekje.”

Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.

“Dat van mama?”

“Ja.”

Ik sloot mijn ogen.

Het boekje bevatte niet alleen brieven.

Het bevatte ook de waarheid over mijn jeugd, mijn vader en misschien mijn verdwenen zus.

“Marcus, luister goed. Ik heb iemand ontmoet.”

“Wie?”

“David Collins.”

Aan de andere kant bleef het stil.

Toen hoorde ik iets vallen.

“Wat zei je?”

“David Collins. Hij beweerde dat hij mijn moeder kende.”

Marcus ademde zwaar.

“Waar is hij nu?”

“Ik weet het niet.”

“Heb je hem verteld over de doos?”

“Nee.”

“Heb je hem iets gegeven?”

“Nee.”

Marcus zweeg opnieuw.

Toen fluisterde hij:

“Dan hebben we een probleem.”

“Waarom?”

“Omdat David Collins niet zomaar iemand is.”

Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen.

“Wie is hij dan?”

Marcus antwoordde met een stem die nauwelijks hoorbaar was.

“De man die je vader vijf jaar geleden heeft verteld dat je zus dood was.”

Ik keek naar de bankdeuren.

Buiten stond de zwarte sedan.

Dezelfde auto als de vorige avond.

De achterruit ging langzaam omlaag.

Een vrouw zat op de achterbank.

Ze had lang donker haar.

Ze keek recht naar mij.

En hoewel ik haar gezicht nooit eerder had gezien, wist ik onmiddellijk wie ze was.

Sophie.

Mijn tweelingzus.

Ze legde haar hand tegen het raam.

Haar lippen bewogen.

Ik kon de woorden niet horen.

Maar ik begreep ze.

Vertrouw Marcus niet.

Toen trok de auto op en verdween in het verkeer.

Ik bleef staan met het document in mijn hand.

Mijn vader had me vijf jaar lang huur laten betalen.

Hij had mijn geld bewaard.

Hij had de brieven van mijn moeder achtergelaten.

Maar misschien was dat niet de grootste leugen die hij me had verteld.

Misschien had hij me niet alleen beschermd tegen de waarheid.

Misschien had hij me beschermd tegen mijn eigen familie.

En misschien was de man die mijn vader zijn beste vriend noemde, degene die ervoor had gezorgd dat mijn zus uit mijn leven verdween.

Toen ik eindelijk naar huis terugkeerde, stond Marcus in de woonkamer.

Hij had de doos op tafel gezet.

Dezelfde doos die volgens hem verdwenen was.

Ik bleef in de deuropening staan.

“Je zei dat de doos gestolen was.”

Marcus keek langzaam op.

“Dat was hij ook.”

“Dan wil ik weten hoe hij weer hier is gekomen.”

Hij keek naar de doos.

“Ik heb hem teruggevonden.”

“Waar?”

“In de garage.”

“De garage was afgesloten.”

Marcus zei niets.

Ik liep naar de tafel en opende de doos.

De brieven lagen er nog.

De envelop van mijn vader lag er nog.

Maar het spaarboekje was verdwenen.

Ik keek naar Marcus.