“Omdat de vader van Eleanor Vance—de patriarch van de familie—hem destijds voor de keuze stelde,” legde Reeves uit, terwijl hij door het dagboek bladerde. “De familie wilde geen schandaal. Ze kochten de politie en de getuigen om, maar eisten dat Alexander de stad zou verlaten en nooit meer zou terugkeren, en dat hij zijn aandeel in het familiebedrijf zou opgeven. Ze wilden zijn naam uitwissen. En als hij ooit nog zijn mond zou opendoen, zouden ze zorgen dat hij voor moord werd opgesloten.”
Het viel op zijn plek. Het hele leven van Alexander Vance was gebouwd op een fundament van chantage, schuldgevoel en een verstikkende familie die hem had gedwongen te zwijgen over de vrouw van wie hij hield. En pas aan het einde van zijn leven, toen hij niets meer te verliezen had en de dood naderde, had hij iemand gevonden aan wie hij zijn verhaal kon vertellen zonder angst: een jonge vrijwilligster in een ziekenhuis die zelf verdwaald was in haar eigen verdriet.
“Dit verandert alles,” zei Reeves, terwijl hij het dagboek dichtsloeg. “Als we dit openbaar maken, verliezen de Vances hun juridische macht over je. Maar nog belangrijker: hun reputatie, waar ze al tien generaties lang trots op zijn, stort in elkaar. Dit is het wapen waarmee ze ons bedreigen, maar ook het wapen waarmee wij hen kunnen verslaan.”
“En als ze ons voor die tijd vinden?” vroeg ik, met een blik naar het donkere raam waar de sneeuw bleef neerdwarrelen.
Reeves keerde zich om naar zijn kluis in de hoek van de kamer. Hij haalde een set autosleutels tevoorschijn en schoof een dikke enveloppe in zijn binnenzak. “We blijven hier niet langer. Mijn oude huis in Indiana staat leeg en is volkomen veilig. We vertrekken nu meteen.”
Die nacht reden we door de verlaten snelwegen van Illinois naar het zuiden, terwijl de sneeuwstorm om ons heen woedde. De wereld buiten was wit en onherbergzaam, net als de chaos waarin ik verstrikt was geraakt. Maar voor het eerst in maanden voelde ik geen angst meer. Ik had Alexanders lied in mijn hoofd, en in mijn tas droeg ik de waarheid die de machtige familie Vance tot op de grond kon doen afbranden.
De volgende ochtend bevonden we ons in een afgelegen boshuisje in de staat Indiana, omringd door besneeuwde dennenbomen. De warmte van een open haard vulde de kamer, en op de tafel lag het dagboek open. Reeves had een laptop aangesloten om de inhoud van het cassettebandje digitaal te back-uppen en veilig te stellen in een versleuteld cloudbestand.
Maar de rust duurde niet lang.
Omstreeks het middaguur klonk het geluid van knarsende banden op de oprijlaan. Geen gewone auto; zware terreinwagens die zich een weg hadden geband door de dikke sneeuw.
Reeves sprong op en keek door het raam. Zijn gezicht verbleekte. “Ze hebben ons gevonden. Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?”
“De gps van de auto,” realiseerde ik me te laat. “Eleanor heeft onze auto laten traceren.”
De voordeur werd met brute kracht ingetrapt. Hout splijted en brokstukken vlogen door de kamer. In de deuropening verscheen niet een advocaat of een gerechtsdeurwaarder, maar twee grote mannen in zwarte jassen, gevolgd door Eleanor Vance herself. Haar kasjmieren mantel was besmeurd met modder en sneeuw, en haar gezicht stond strak van pure razderij.
“Denken jullie nu echt dat jullie konden vluchten?” zei ze met een ijzige, sissende stem, terwijl ze de woonkamer binnenstapte. Haar blik viel onmiddellijk op de tafel waar het dagboek en de laptop lagen. “Geef dat hier. Onmiddellijk.”
Reeves stapte voor me uit en stak zijn hand op. “Mevrouw Vance, dit is illegaal. Dit is huisvredebreuk en afpersing. Alles wat hier ligt is wettelijk eigendom van Emily als de weduwe van Alexander Vance.”
“Zwijg, advocaatje,” snauwde Eleanor. Ze knikte naar de twee mannen achter haar. “Pak het.”
De mannen deden een stap naar voren. Reeves probeerde hen tegen te houden, maar een van de mannen duwde hem met een harde klap tegen de boekenkast, zodat hij op de grond viel.
“Nee!” schreeuwde ik, terwijl ik naar de tafel sprong om het dagboek te grijpen.
Maar voor ik het kon aanraken, greep Eleanor me bij mijn pols. Haar grip was verrassend sterk, haar nagels drukten pijnlijk in mijn huid. Ze keek me aan met ogen die vol zaten met de opgekropte bitterheid van decennia.
“Je weet niet wat je aan het doen bent, meisje,” fluisterde ze woedend. “Je denkt dat je Alexander hebt gekend in die zeven dagen in het ziekenhuis? Je kent niets. Hij heeft onze familie vernietigd, en ik zal niet toestaan dat zijn laatste stuiptrekking onze naam definitief bezoedelt.”