“En die andere vrouw?” vroeg ik, met een brok in mijn keel, denkend aan het gerucht dat me destijds had genekt. “De vrouw van wie je onlangs… van wie de geur…“

Dorian keek me verbaasd aan. “Welke andere vrouw?“

“Die avond, toen je om vier uur ‘s nachts thuiskwam. Je rook naar dure parfum. Je zei niets.“

Zijn wenkbrauwen fronsten zich in diepe verwarring, en toen viel het kwartje. Een donkere flits van realisatie trok over zijn gezicht. “Die avond… Dat was Elena Vance. Haar vader probeerde een vijandige overname te plegen via een schijnbeweging in een restaurant. Ik moest haar ontmoeten in een afgesloten club om de voorwaarden te dicteren. Ze probeerde me te provoceren door dichtbij te komen en me te besprenkelen met die walgelijke parfum om je jaloers te maken, of om een foto te laten maken voor de pers. Ik heb haar direct weggeduwd. Ik ben die avond niet eens met haar in de auto gestapt; ik ben door de achteruitgang weggelopen.“

Hij greep mijn hand. Zijn vingers waren ijskoud, maar zijn grip was wanhopig stevig.

“Alina, er is nooit iemand anders geweest. Er is alleen jou. Sinds dag één, en tot het einde.“

De tranen die ik al maanden had opgespaard, die ik had weggestopt achter woede en verdriet, braken nu los. Ze stroomden over mijn wangen terwijl we door de besneeuwde straten van Chicago reden. Ik wilde boos op hem zijn. Ik wilde hem vertellen dat hij een dwaas was geweest om alles in zijn eentje op te lossen, om mij buiten te sluiten in plaats van de waarheid te vertellen.

Maar toen ik naar zijn gezicht keek, naar de donkere kringen onder zijn ogen en de angst in zijn blik, besefte ik dat onze oorlog nog niet voorbij was. De echte vijanden buiten—de mensen die hem wilden breken—wisten nu van ons kind. En ze zouden niet stoppen.

Drie dagen later bevonden we ons niet in een kantoor van een advocaat om te scheiden, maar in een beveiligde vergaderruimte op de topverdieping van de Cross Tower, met Michael Reed, de hoofdbeveiligingschef, aan het hoofd van de tafel.

De sfeer was te snijden. Op tafel lagen foto’s uitgespreid: schimmige figuren in portieken, auto’s die ons appartement in de gaten hielden, en documenten met het logo van Vance Holdings.

“Ze weten het,” zei Michael met een lage, harde stem. “Arthur Vance en zijn mensen hebben gezien dat je naar het North Shore Memorial ging met Dorian. Ze weten dat er een erfgenaam aankomt. En ze weten dat dit onze zwakke plek is.“

Ik zat naast Dorian, mijn hand stevig in de zijne verweven. Mijn buik was nog plat, maar de wetenschap dat er nieuw leven in me groeide, gaf me een woede en een kracht die ik nooit eerder had gekend. Ik was niet langer het bange vrouwtje dat stond te overgeven in een advocatenkantoor. Ik was een moeder die haar kind zou verdedigen tegen alles wat los- en vastzat.

“Ze denken dat we kwetsbaar zijn omdat we lang uit elkaar leken,” zei Dorian, en zijn stem had zijn oude, meedogenloze autoriteit teruggekregen. “Ze denken dat ze ons kunnen chanteren zoals ze decennia geleden met anderen hebben gedaan.“

Hij keek naar mij, en in zijn ogen brandde een vuur dat geen enkele vijand kon blussen.

“We gaan ze niet ontwijken, Michael,” zei Dorian koel. “We gaan de aanval inzetten. En we beginnen vanavond nog.“

De deuren van de vergaderruimte vlogen open. Een van de beveiligers haastte zich naar binnen met een spoedbericht.

“Meneer Cross… er staat iemand beneden in de lobby. Ze weigert weg te gaan en zegt dat ze bewijs heeft over de moord op Lucas Hale en de connectie met de familie Vance.“

Mijn adem stokte in mijn keel. De naam van de broer van Claire—de vrouw van Daniel Carter, onze oude vrienden—viel als een bom in de kamer. Alles hing met elkaar samen: de oude corruptie van de Vances, de moorden, de chantage, en nu onze eigen oorlog in Chicago.

Dorian stond op, trok zijn colbert recht en keek naar mij. “Blijf hier, schat. Dit regelen we samen.“